En bij Bartlehiem gebeurt het wonder.
De club is in zijn geheel blijven wachten, denk
ik nog en na een lange achtervolging kan ik weer aansluiten. Maar nee, het is
geen solidariteit die de drijfveer is om voet aan de grond te zetten. Een
delegatie onder leiding van Jan (Fred is in verband met huwelijks- en
financiële problemen al een tijd niet meer op de radar), is uit de Randstad
overgekomen en heeft hier een rustpunt ingericht en heeft KOFFIE en broodjes
bij.
Ik geniet net met volle teugen van mijn eerste bakkie van de dag, als de
club al weer aanstalten maakt om op te stappen. Ik bedank ze hartelijk voor de
clubcollegialiteit en zeg dat ze gerust verder kunnen rijden en dat ik ze wel
weer in ga halen.Er wordt wat schaapachtig gegrinnikt maar men besluit toch te
wachten tot ik mijn cafeïne- en nicotinepeil op de gewenste hoogte heb
gebracht.Ik voel me al een tijdje niet senang in deze groep. Hoewel ik zelf
liever alleen verder had gereden ben ik natuurlijk wel afhankelijk van vervoer
terug dus moet ik wel bij Kees blijven.Als we ons iets later toch weer in gang
zetten voel ik me als herboren en voel voor de zoveelste maal dat cafeïne wel
degelijk een vorm van doping is.Dat klopt ook inderdaad want Gianni Bugno, een
Italiaanse coureur, is ooit eens betrapt op een te hoog gehalte van dat goedje
in zijn plasje. Bugno was een geweldige coureur, winnaar van de Giro d ’Italia
in ’90 en zelfs 2x wereldkampioen, in ’91 en ’92.Hij was een typische “pedaleur
du charme” zoals men dat zo mooi zegt. Een mooie coureur in beide betekenissen van
het woord. Tijdens een afzink is hij ooit een keer zo hard onderuit gegaan, dat
hij daarna, van de schrik, jaren lang daalde als een dweil. Hij ging daarvoor
in therapie en zijn behandeling bestond onder andere uit het luisteren naar
muziek van Mozart. Het heeft wel iets geholpen maar zijn grote dagen waren
voorbij. Een enkele keer komt hij nog wel eens in beeld tijdens een
Giro-etappe.Een mooie, goed verzorgde, immer goed gecoiffeerde man.
De stempelpost in Dokkum is vlak bij de molen waar mijn vader in zijn jeugd nog een jaar als leerling heeft gewerkt en ik kijk er met een beetje weemoed naar. Als kind hebben mijn ouders mij deze molen wel eens laten zien, tijdens een uitstapje met de auto, op een zondag. In de late jaren ’20 van de vorige eeuw moet dat alweer geweest zijn Niet dat uitstapje, natuurlijk, maar dat mijn pa hier heeft gewerkt. Bij deze stempelpost is het al stukken minder druk dan bij de vorige posten en we zitten al snel weer tussen de wielen. Iets na tienen zijn we terug in Bartlehiem waar het ondertussen al weer een enorm volksfeest aan het worden is. Het weer is voortreffelijk, er is nauwelijks wind en er schijnt een lekker zonnetje. Door de kickstart die de koffie me gegeven heeft en omdat ik geen zin heb in verdere gesprekken met al die nare clubleden, die ik steeds minder begin te mogen, rijd ik veel solo op kop. Ik houd het tempo gestaag tussen de 25 en 30 kilometer per uur zoals was afgesproken. Aarzelend komen af en toe één of twee clubleden langs om te zeggen dat ze echt niet wisten dat ik lek gereden was en zo. Ik doe of ik ermee verzoend ben en een beetje is dat ook wel het geval. Ik word ondertussen heerlijk afgeleid door het steeds talrijker wordende publiek dat langs de weg zichtbaar wordt. Bakken bier worden door hen aangesleept en overal staan frietkramen en er lijkt een kermisachtige sfeer te ontstaan.
Rond 1100 uur hebben we er ongeveer 120 kilometer op zitten en nu rijden we de Friese hoofdstad binnen.We zijn halverwege. Onder de Oldenhove, de Martini toren van Leeuwarden, zeg maar, is de volgende controle en worden we getrakteerd op soep. Heerlijke, want hartige soep en er is een vlotte afhandeling van de stempelprocedure. Verder gaat de karavaan nu en steeds opvallender worden de vreemd uitgedoste snuiters die op deze mooie pinksterdag meefietsen. Zo zien we een gozer in een overall en met klompen aan op een opoefiets de tocht rijden. Althans dat beweerde hij, volgens mij reed hij van zijn boerderij naar de kroeg.Mensen geheel gekleed in Friese vlaggen op tandems en een paar zeer schaars geklede dames op steppen! Deze (de dames, niet de steppen) trekken heel wat belangstelling onder het mannelijke deel van de fietsers en toeschouwers. We komen door kleine schilderachtige dorpjes als Boksum, Jellum en Weidum, als ik opeens op een richtingaanwijzer ‘Jorwerd’ zie.Het prachtige boek “Hoe God verdween uit Jorwerd” van Geert Mak, dat ik een paar zomers geleden las, schiet me weer te binnen. Ik heb Mak jaren hoog gehad maar sinds zijn ietwat naïeve opstelling in het multiculturele debat is de liefde een beetje over. Ik moet wel zeggen dat ik zijn “In Europa” wel met veel plezier gelezen en bekeken heb. Ik wil over Mak en zijn boeken wat kwijt aan die E. die iets schuin achter me rijdt maar ik krijg niet de indruk dat het aanslaat. Ik mijmer dan ook maar wat voor mezelf uit, tot we Sneek bereiken. Het is zoals altijd druk in deze Friese parel die internationaal bekend staat om haar watersportactiviteiten. Ook vandaag is het al enorm druk met vaartuigen en vaartuigjes van allerlei soort. Grote en kleine scheepjes en boten glijden over het haast nog rimpelloze water op weg naar andere verten en andere vergezichten. De prachtige waterpoort van het stadje is het mooie decor voor weer een stempel. Voorbij de volgende stad, IJlst, van de schaatsen en het houten speelgoed, rijden we het Friese merengebied binnen. Ik ken deze streek nauwelijks en de beelden benemen me haast de adem, zo weids en ruim is deze. Achter hoge rietkragen zie ik zeilen zonder rompen die schijnbaar moeiteloos over stuur- of bakboords boeg hun koers aanhouden. En overal land, land en koeien,echt, enorme veestapels. Hier en daar, achteloos alsof het door een kind uit zijn blokkendoos is neergezet, een boerderij met een lange oprijlaan. Ruimte. Dit is het land van “Stiefmoeder Aarde”, van het “Geslacht Wiarda” uit de boeken van Teun de Vries.Hier woont dus dat Friese volk, door andere Nederlanders wat vreemd aangekeken om haar eigen taal, om de dwarse koppen. Hier woont dus dat Friese volk, dat vandaag in elke dorpskom zo’n enorm enthousiasme aan de dag legt en ons voortstuwt met gejuich en applaus.Hier woont dus dat Friese volk dat die mannen heeft voortgebracht die, in strenge wintermaanden, de doorlopers onder bonden om in snijdende vorst 200 lange, lange kilometers over onafzienbare ijsvlaktes te rijden om hun steden met elkaar te gaan verbinden. Onwillekeurig denk ik terug aan de tocht der tochten, waar nu in 2010, net een prachtfilm over gemaakt is. Die aller zwaarste Elfstedentocht ooit, werd gereden in die bizarre winter van ’63.
Ik was 10. De winter was al vanaf eind november enorm streng. Wij woonden aan het eind van het dorp waar de molen van mijn vader vrij kon draaien. Tussen het groepje huizen rond de molen en het eigenlijke dorp lag een onbeschutte strook akker- en weiland van een meter of 300 lang. Door de dagenlang aanhoudende Oostenwind, die, vanaf de Duitse laagvlakte waaiend, niet tot nauwelijks tegengehouden werd door enige bebouwing, waren er enorme sneeuwduinen opgejaagd die wel 4 of 5 meter hoog waren. Deze sneeuwduinen sneden dan ook dagenlang ons gedeelte van het dorp af van de dorpskern. Aanwonende boeren probeerden met tractoren en graafgerei een pad schoon te maken en natuurlijk hielpen ook mijn vader, mijn broer en andere buren mee. Urenlang stonden ze elke dag sneeuw te scheppen en te schuiven, zodat we in dit gedeelte van het dorp ook maar enigszins bevoorraad konden worden. Dagen later pas was er een heel smalle verbindingsgang naar het dorp gemaakt en konden bakker en melkboer weer leveren. Ook mijn vader en mijn broer, die samen mijn vaders bedrijf bestierden, konden hun producten zo weer uitventen naar hun klanten. In die dagen kwamen zelfs de anders o zo schuwe reeën uit hun schuilplaatsen naar de bewoonde wereld, om voedsel te zoeken. Pa had een voederplek ingericht, beschut voor de wind. Voer en lauw water voerde hij geregeld aan en na een dag of wat aten de schichtige beesten uit zijn hand! In die winter werd dus die bewuste tocht gereden waarvan iedereen, die die beelden gezien heeft, ze nog steeds op zijn/haar netvlies krijgt zo gauw het woord "natuurijs" wordt uitgesproken. (Ik schrijf dit verhaal tijdens de kerst van ’09. Het TV programma “Andere Tijden" zendt, toevallig of niet, een oude documentaire uit over 100 jaar Elfstedentocht. Weer zie ik die afgrijselijke, ontroerende en heldhaftige beelden. Mooi detail is dat presentator Koos Postma in de studio genoeglijk een sigaretje rookte )Ik heb, heel toevallig, de winnaar Reinier Paping in de zomer na die tocht gezien. Hij speelde een partij tennis op de baan van het hotel dat zijn ouders uitbaatten in Ommen. (Tennis… da’s toch geen sport voor kerels) Ons gezin was toevallig op het terras van dat hotel neergestreken tijdens een zondags uitstapje met de auto. Mijn broer drong er bij mij op aan om een handtekening van Paping te vragen .Ik wachtte geduldig tot er even rust was. Bij tennis is dat om de 20 seconden of zo. Ik vroeg mijnheer Paping om zijn handtekening, op het papieren servetje dat mijn broer mij in de hand had gedrukt .In mijn herinnering moest deze man een reus geweest zijn, maar ik zag een, in mijn woorden van nu, wat frêle, rossige jonge vent, slank en sportief. Ik kreeg de handtekening maar weet tot op de dag van vandaag nog niet waar ik toen meer van onder de indruk ben gekomen: van Reinier Paping of van de soepstengels die ze in het restaurant serveerden en die ik nog nooit van mijn leven gezien had.
De
Nederlander zegt dat Sloten de kleinste stad van Nederland is, de Fries zegt
dat het de kleinste stad van de wereld is. Wie er ook gelijk heeft: klein is
Sloten zeker. Slechts een doorgaande straat, een gracht, een stempelpost, dat is het en
dan gaan we verder. Voor Sloten zijn we al door Woudsend en Balk gereden, waar M.
en ik nog kennissen weten te wonen. Maar in de enorme drukte heb ik hen
natuurlijk niet kunnen ontwaren. Vanaf Sloten rijden we het prachtige, haast
on-Friese Gaasterland binnen. De wegen zijn nu bijna een langgerekt lint, vol met
fietsen en her en der staan ook de nodige fietsers langs de kant van de weg.
Sommigen met pech, anderen, aan het gezicht en de lichaamstaal te zien, in
behoorlijke staat van vermoeidheid. We rijden een pittig klinker klimmetje op en
komen boven op het Rode Klif. ‘What a view!' Het hele IJsselmeer strekt zich in
al zijn waterpracht voor onze wielen uit. Hier staat ook nog een gedenkteken van
een veldslag, waarbij een Hollandse Graaf, die dwarse Friezen wel even zou laten
zien hoe de wereld volgens hem in elkaar zat, het leven liet. Getuige het
monument kwam hij dus van een kouwe kermis thuis. Ook wij hebben nu ongeveer 150 kilometer onder
de wielen gehad en de vermoeidheid begint bij sommige clubleden toe te slaan. We
zijn goed op schema en democratisch maar niet unaniem wordt besloten om een
half uurtje rust te pakken in Stavoren. Ik ben nog steeds van mijn mening dat je
de rustpauzes zo kort mogelijk moet houden, want blijf je te lang zitten dan
koelen de beenspieren enorm af en slaat de verzuring toe en daardoor wordt de
kans op kramp vergroot. Wanneer ik tochten tot ongeveer 100 kilometer fiets,
stap ik, behalve voor een eventuele sanitaire stop en het vullen van de bidon,
niet af. Voor elke rit boven de 120 kilometer ga ik, ongeveer op de helft, een
kleine 10 minuten rusten. Dat doe ik bij voorkeur aan een slootkant of bij een
boerenhekje. Ik blijf dan staan en dribbel wat, zodat mijn beenspieren toch wat
belast blijven.
Als we in het stadje van het vrouwtje uit de legende opbreken, gaat de tocht verder over de dijk naar Hindeloopen, ‘Hylpen’, zoals het op zijn mooiste Fries heet. Stom eigenlijk, maar elke keer als ik het woord Hindeloopen zie of hoor, moet ik aan een liedje van Seth Gaaikema* denken. Ik ken alleen de regel nog: “Ik zag een Hinde lopen” en weet verder niet meer waar het over ging, maar, Gaaikema kennende, zal het ongetwijfeld flauw geweest zijn. Een grapje uit de jaren toen hij nog populair was, was dan ook, dat een flauwe bocht een Gaaikema-bocht werd genoemd. Ok, ook niet leuk.
Workum is de elfde en laatste stad die we aandoen en om een uur of vier passeren we in Bolsward het finishdoek.De volle stempelkaarten worden overhandigd en iedereen krijgt een fraaie en zoals het zo mooi heet, felbegeerde medaille.Ik had me een en ander toch wat plechtiger voorgesteld, een toespraak of een fanfareorkest of zo, maar ik begrijp dat dit met een zo groot deelnemersaantal niet mogelijk is.De groep schudt handen. We hebben 200 kilometer gereden met een gemiddelde snelheid van net boven de 26 kilometer per uur en dat is helemaal niet slecht.Kees zet me rond zes uur thuis af. Ik betaal mijn deel de benzine en wordt thuis enthousiast begroet. M. heeft nog een lekker maaltje voor me klaargezet en na me gedoucht en verschoond te hebben,verslind ik de producten van haar kookkunst.TREK!! Later die avond vind ik nog een halve zak chips en eet die leeg. Ik houd niet eens van chips.
Als we in het stadje van het vrouwtje uit de legende opbreken, gaat de tocht verder over de dijk naar Hindeloopen, ‘Hylpen’, zoals het op zijn mooiste Fries heet. Stom eigenlijk, maar elke keer als ik het woord Hindeloopen zie of hoor, moet ik aan een liedje van Seth Gaaikema* denken. Ik ken alleen de regel nog: “Ik zag een Hinde lopen” en weet verder niet meer waar het over ging, maar, Gaaikema kennende, zal het ongetwijfeld flauw geweest zijn. Een grapje uit de jaren toen hij nog populair was, was dan ook, dat een flauwe bocht een Gaaikema-bocht werd genoemd. Ok, ook niet leuk.
Workum is de elfde en laatste stad die we aandoen en om een uur of vier passeren we in Bolsward het finishdoek.De volle stempelkaarten worden overhandigd en iedereen krijgt een fraaie en zoals het zo mooi heet, felbegeerde medaille.Ik had me een en ander toch wat plechtiger voorgesteld, een toespraak of een fanfareorkest of zo, maar ik begrijp dat dit met een zo groot deelnemersaantal niet mogelijk is.De groep schudt handen. We hebben 200 kilometer gereden met een gemiddelde snelheid van net boven de 26 kilometer per uur en dat is helemaal niet slecht.Kees zet me rond zes uur thuis af. Ik betaal mijn deel de benzine en wordt thuis enthousiast begroet. M. heeft nog een lekker maaltje voor me klaargezet en na me gedoucht en verschoond te hebben,verslind ik de producten van haar kookkunst.TREK!! Later die avond vind ik nog een halve zak chips en eet die leeg. Ik houd niet eens van chips.
Jaren later
blijkt de ‘shimmy’ in mijn achterwiel te worden veroorzaakt door een
haarscheurtje in de lengterichting van de velg. Ik heb
nog jaren met dat wiel kunnen rijden, overigens.
*Seth Gaaikema is in hjet najaar van 2014, net toen iok dit stukje zat te herzien, overleden. Rust in BVrede.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten