zaterdag 4 oktober 2014

Naar Doorn en ook weer terug, natuurlijk!



Dit fiets verhaal dateert al weer van enige jaren her. Maar ik vond het leuk genoeg om het nog eens zelf na te lezen en het met jullie, fietsers, te delen.

Al weken liggen de plannen en de uitnodigingen klaar voor de reünie van vandaag en morgen. Deze reünie is van de 'in jargon' zogenaamde GNKCIE, de "Genees Kundige Compagnie", (CIE is de afkorting van compagnie) waar ik van 1988 tot 2000, ongeveer twee jaar de scepter zwaaide als Chef d’ equipage. Wat is dat dan wel weer? Een equipage, leert het woordenboek, is een uitrusting', gereedschap of bemanning van schepen. Nu ja een woord dat veelomvattend is en dat is de taak van de Chef d'. ook. 

Ik had in de tijd dat ik "het deed", dat ik dus die Chef d'. was, een prachtige, maar zware functie. In het (heel) kort houdt het in dat ik in die tijd de Traite d ‘Union, het verbindingsstreepje, was tussen het commando en de staf van de compagnie en de rest van het "volk", van de equipage, dus. Ik was natuurlijk ook de hoogst aanwezige onderofficier En toen lag er dus een brief in de bus om een reunie te houden van die club, waar ik twee jaar, nu ja, je weet het. 

Ik verheug me al een tijdje erg op het weerzien met een hoop oude maten, waarvan ik sommige zelfs al tien jaar niet heb gezien. De vorige reünie, waar ik aan deel genomen heb, was die van de uitzending naar Albanië, en dat is ondertussen al weer een jaar of drie terug, maar die uitzending, hoewel door de een gedeelte van de compagnie uitgevoerd, was toch in een hele andere samenstelling.

Mijn maatje P., die natuurlijk ook aanwezig moest zijn en ik hebben afgesproken om op de fiets naar de ontmoetings-plek te gaan te gaan en deze dag, het is een zaterdag, belooft het droog en aardig weer te worden. We hebben op ons vaste punt afgesproken, zo’n plek waar we, toen we allebei nog actief dienden in Amsterdam, elkaar vaak oppikten voor een rit naar de kazerne. Het is onder de brug bij Loenersloot, waar de provinciale weg, de N 201, het Amsterdam Rijnkanaal kruist. Ik ben een paar minuten te vroeg en dood de tijd met roken, plassen en kijken naar de vele en vaak fraaie schepen die, een witte snor voor de boeg op stuwend, passeren. De meeste schepen hebben de nationale driekleur aan het hek hangen, maar er zijn ook veel schepen uit Duitsland, België, Frankrijk en soms uit Zwitserland bij. Het Amsterdam-Rijnkanaal is een toegangsweg naar de haven van Mokum en zo naar de wereld!

Even later komt mijn oud-collega vanuit de richting van Loenen aan rijden en samen fietsen we langs het mooie, brede en ja, ook wat wat saaie kanaal naar de volgende brug, die ongeveer vijf kilometer verderop ligt, die bij Breukelen. Daar gaan we dan de brug over, fietsen door het alleraardigste dorpje aan de rivier de Vecht, dat Breukelen nu een maal is en volgen verder een stuk die prachtige Vecht, die er nog stil en zwart bijligt. De mooie buitens weerspiegelen in het donkere oppervlak van de rivier.

Langs het Tienhovens kanaal ronden we een voormalig fort van de Nieuwe Hollandse waterlinie. Wij kletsen aardig bij, terwijl we via Tienhoven, Oud Maarseveen en Westbroek om Utrecht heenrijden. We gaan om fort Blauwkapel heen en fietsen De Bilt binnen.

Ons gesprek gaat dit keer, zoals zo vaak, over boeken die we momenteel lezen en over recent gelezen werk. Zo zijn we toevallig allebei liefhebber van het (vroegere) werk van Theun de Vries en heeft mijn maatje net, op mijn aanraden, Philip Kerr’s  “If the dead rise not” gelezen. Hij is daar zo enthousiast over geworden dat hij meteen de “Berlijnse trilogie” van Kerr besteld heeft. Iets later merken we dat we allebei ook de liefde voor Nescio delen.


Via de mooie streek tussen Driebergen en Doorn, bereiken we “De Basis” zoals het veteraneninstituut, waar de bijeenkomst gehouden wordt, heet.

Even een korte uitleg over dit instituut. Waar vroeger de militair en de "veteraan" niet erg in aanzien stonden bij ons volk (militairen kosten alleen maar poen, werd er, door vooral de "linkse kant"  gezegd) is er tegenwoordig welk een kentering waar te nemen. Dit is gekomen na de diverse uitzendingen naar o.a. Cambodja, Angola, Albanië, (en ik mis er nog wat) nu ja, kortom Qua Patet Orbis, ofwel zo wijd de wereld strekt, het devies van het Korps Mariniers. Want, nu spreekt er wel wat trots, het was voornamelijk het Korps dat deze vredesmissies uitvoerde, daarin gesteund door veel onderdelen vaan de vloot.

De Koninklijke Landmacht “deed:” Bosnië en, hoewel ik nergens een schuld wil neerleggen, we hebben gezien waar Sbrenica toe leidde. Er is sinds die tijd dus meer aandacht (en respect) voor de veteraan en zo is er het veteranen instituut opgericht, waar deze Basis een onderdeel van is. Hadden het KNIL en de Marine vroeger altijd Bronbeek, in de buurt van Arnhem, dit huidige en prachtige gebouw biedt ruimte aan veteranen van allerlei disciplines.

Tevens heeft het gebouw een hotel accommodatie zodat eventuele hier te houden reünisten ook de nacht ter plekke kunnen doorbrengen. Wat gewoon een goed idee is, er wordt zwaar gelachen en nagetafeld en De Basis is niet alcohol vrij, begrijp je?


Goed dan, we komen aan, stallen de dure racefietsen in een veilig stalling en we checken in. Daarna zweten we uit en na, iets later,  in de goed geoutilleerde kamers gedoucht en omgekleed te hebben gaan we aan de koffie en (ik) aan de nicotine op het fraaie terras.

Langzaam druppelen de eerste oud collegae binnen en de begroetingen zijn hartelijk.

De meeste verhalen beginnen natuurlijk, hoe kan het anders, met “weet je nog” en “wat doe jij nu?” Helaas mis je, zoals altijd bij dit soort gelegenheden, de personen die je het liefste weer eens had willen zien en is die vreselijke “boer” er wel, waar je nou nooit zo goed mee kon opschieten, maar die jou dan wel onmiddellijk claimt.


Er is een officieel gedeelte met de nodige toespraken en plichtplegingen, maar tussen drie en zes is er tijd vrijgemaakt om te recreëren en/of fotoboeken of zo uit te wisselen.

Wij hadden onderweg al afgesproken om nog wat kilometers te maken in de heuvels.

Zoveel mogelijkheden om te “klimmen” zijn er bij mij in de buurt niet, op het Kopje van Bloemendaal na dan, dus als ik de kans krijg om wat hoogte meters te maken, laat ik die niet liggen. Het zijn natuurlijk geen cols in deze regio, hier het zijn stuwwallen van de oude loop van de grote rivieren die ons land doorklieven, maar het gaat wel af en toe gemeen omhoog.

We doen de Ruyterberg, de “Hel van Leersum”, een mooi, gemeen en mij volkomen onbekend klinkerklimmetje, we gaan over de mooie Scherpenzeelse weg en als uitsmijter de Amerongse berg, waar mijn maatje me, hij rijdend op het buitenblad, laat staan.

Ik onderga de nare sensatie naar het binnenblad te moeten, maar na 100 kilometer fietsen op deze dag, die "kliks" had ik er al op zitten, is het nu ook geen al te grote schande, houd ik mezelf dan maar voor. Boven gekomen tik ik mijn maatje op zijn kont als compliment. Met de handjes op het stuur fietsen we terug, erg voldaan.

Ondertussen maken we een principe afspraak om in ’12 de Alp d’Huez te gaan beklimmen. Dat is een mooi streven. In dat jaar word ik 60 en dan, zoals men zegt, hoort mijn leven te beginnen.Ik voorzie al de tegenwerpingen die mijn lief van het leven, E.,  gaat maken, maar dat los ik wel op.


Als we terug komen is het “feest” al in volle gang en menigeen heeft al een koude “klets” te pakken.We pakken nog een terrasje, een koffie en gaan douchen.


Ik zie na jaren de “Oude Feun” terug, de man die mijn fietsliefde verder en echt ontwikkeld heeft en we spreken gedrieën af om later in de maand eens een wat langere tocht te gaan maken.

De Feun heet voluit natuurlijk anders,  maar Feun of Oude Feun is de naam waaronder hij in de hele KM bekend stond, want hij is nu ook sinds een jaar of twee “gepensioneerd.”



Ik had in de zomer van 197. net mijn eerste echte en chique racefiets aangeschaft, een Batavus Course. Een prachtige, parelgrijze fiets met blauwe decals en glimmende spaken en verchroomde schakelgrepen en ik was zo trots als de overbekende aap met de 7 je-weet-wellen.

Ik was toen al een jaar of wat bij de marine en als Korporaal te werk gesteld in de Marine Kazerne Amsterdam. De Feun was daar Officier belast met de Geneeskundige Dienst, zoals het in de marine voorschriften zo fraai en officieel heet. Hij was toen een beginnende 30'er, brildragend, had een haast Engels gevoel voor humor, was nog vrije jongen en hield van fietsen en gebakken aardappelen. Nadat hij mijn fiets eens had staan bewonderen besloten we dan om eens samen in Limburg te gaan fietsen, want dat was volgens hem dé  fietsprovincie bij uitstek. We maakten eerst een trainingsrondje door een stuk van het Waterland, dat mooie gebied boven de Hoofdstad, waar kleine dorpjes en grote waterpartijen elkaar zo fraai afwisselen. Onervaren toerfietser die ik toen nog was, kreeg ik daar, tijdens die tocht, voor het eerst, maar helaas niet voor het laatst, last van een fringale, een hongerklop. Dat is een afgrijselijk gevoel. Al je macht en kracht vloeien weg uit je lijf. Voor hen die dit nog nooit hebben meegemaakt: houden zo. Maar het lijkt op dat gevoel dat je krijgt vlak voor je flauwvalt. Je voelt een enorme leegte in je lijf en het wordt schemerig voor je ogen. Hij  had hét middel hiertegen in de zak van zijn wielershirt. Drie dextro'tjes en even later deed ik weer kopwerk.

Lesson learned.

Een paar weken later, ik had zelf nogal fanatiek getraind in de polders rond mijn toenmalige woonplaats, reisden we vanuit Amsterdam op een donderdag middag af naar het zuiden.

Daar hadden we een perfecte fietsdag en heb ik heel veel geleerd.cSchakelen, eten en drinken, afzien en zwarte sneeuw zien. Mijn liefde voor de fiets is door die man alleen maar aangewakkerd en versterkt, iets waar ik hem nog steeds dankbaar voor ben. Helaas zijn we helemaal uit elkaar gegroeid, jammer! Het fietsen heeft mijn leven toch wel op een hoger plan getild.Als dat gek klinkt, dan zij dat maar zo.


Maar goed, na een perfecte BBQ wordt de avond triple L, zoals dat bij de KM heet! Lang, Luid en Lachen.

Er is echter een smet op deze, verder perfecte dag, en dat is het nieuws dat een hele goede ex-collega, ook een Paul, op sterven ligt, t.g.v. een heel agressieve vorm van ca.
Ik word stiller en bel hem de volgende dag, als ik net thuis ben, op. Een gesprek dat ik mooi vond en waarin ik afstand nam van een gabber. Maar, een gesprek dat ik nooit meer over (zou) willen doen!.







  

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Het nieuwe verraad

 In 1938 vloog Neville Chamberlain naar München, de hoofdstad van Beieren, in Zuid Duitsland, om onderhandelingen te voeren met de (tot nu t...