woensdag 12 augustus 2020

Mijn (fiets) autobiografie, begint over mijn fietsen (1)

 Tja, da's wel een raar fenomeen, denk ik. Je autobiografie te beginnen over je fietsen? ik heb er lang over nagedacht, hoor om aan iets dergelijks te beginnen. Het klinkt/leest als een afscheid en ja, misschien is dat ook wel een beetje zo. Ho, ho, ik ben nog stik gezond, op wat ouwe kwaaltjes na, maar da's eigenlijk niets. In ieder geval, ik word binnenkort 68. Nee, geen erg imposante leeftijd, natuurlijk, ware het niet dat ik nu al bijna 43 jaar fiets, echt serieus fiets. Dat is ook wel niet een mooi, rond en imposant getal eigenlijk, maar ja, nu met al dat gekke gedoe in de wereld, dat maffe virus en zo, wilde ik wel even iets (overigens niets belangrijks)  achterlaten. (Mocht ik het uitstellen tot mijn 50ste fietsjaar, ben ik misschien wel pleiten, tegenwoordig weet je niets meer zeker. 

Nu ja: vroeger wist je dat je net aan zeventig werd,als man dan, maar die leeftijden zijn gelukkig wel iets veranderd, maar ja: dat nare virus, hé. 

Eigenlijk had ik mijn hele (fiets)leven al verteld in de drie boeken die ik daar over had gepubliceerd, maar mensen kopen en lezen geen boeken meer, heb ik het idee, dus ja, dan maar via een Blog. Dus ja, misschien moet ik de mensheid (mocht die al geïnteresseerd zijn) kont doen over het leven van mijn fietsen, het meervoud van het zelfstandige naamwoord. . Niet zozeer over mijn leven en belevenissen, op die fietsen. Maar goed, het gedoe op die daar komt het toch wel een beetje van.

Bien/Soit/Alors/Om te beginnen. Ik heb totaal geen idee meer wat/welk mijn eerste fietsje was. Ik ben geboren in het Wilhelmina ziekenhuis in Assen, maar groeide op in een boerendorpje in het veen van Drenthe: Gasselternijveen. Ik ging, zoals wij allen, op mijn vierde naar de kleuterschool, en ja, dat deed ik lopend, begrijp ik, herinner ik me. Dat was een kilometer heen en een kilometer terug en dat vier keer per dag, behalve op de woensdag dan, dan hadden we de middag vrij. Vanaf mijn zesde ging ik naar de lagere school, maar die lag ook al in het 'centrum' van het dorp. (Gasselternijveen is overigens een heel leuk en lief dorp, een veenkolonie gedoe, met twee oude, elkaar haaks kruisende vaarten (vroeger) en met een mooi pleintje, waarop een fraaie klokkentoren rust, tegenover het huis van de dominee. Dat huis, de pastorie, is gelegen onder zeer fraaie kastanje bomen. Op dat pleintje had jarenlang een visboer een kraam, ene Job Kieviet, maar dit gaat allemaal te ver. Het wordt nu meer een biografie, dan een "fietsografie".)

Ik kreeg uiteindelijk dus een fiets. Met blokken. Blokken waren inderdaad houten blokken die op elk pedaal aan werden bevestigd, aan beide kanten. Zo had je een hoog frame, maar kon je er met die blokken wel op de pedalen komen. 

Ik haatte fietsen, ik had er angst van en vond die vreselijke blokken helemaal niets. Mijn vader zette me regelmatig op dat fietsje. Ik heb geen idee of het iets van een merk had, ik haatte dat ding, maar mijn ouwe heer kennende zal het wel een merk fiets geweest zijn: Batavus/Gazelle(Piet Pelle) of zuks. Maar misschien ook wel een fabricaat van een van de drie fietsenmakers in het dorp, ene Kroeze, een naam die, in verbasterde vormen, vaak voor kwam in ons dorp: Kroeze/Kroese/Kroenzenga/Kroezinga, take your pick. Mijn ouwe was nogal aan lokale mensen gebonden: hij was namelijk DE molenaar (en een beetje de seigneur) van het dorp en had veel klandizie onder de bevolking van de omliggende dorpen en gehuchten.

Ik weet eigenlijk geen ene moer meer over dat eerste fietsje, behalve die blokken dan en dat ik een hekel aan fietsen had (ik las liever) en dat ik mijn broer, die dienstplichtig Huzaar was en toen eens met verlof was, maar ook wel zijn fraaie uniform moest dragen, eens, na een bijna voltooid fietstochtje in de omgeving, helemaal panisch opriep om mij 'asjeblieft op te vangen'. De Huzaar der eerste klasse lachte me faliekant uit en ik wist  dat ik verloren was. Ik zou vallen en op mijn plaat gaan op het, door mijn vader net aangeharkte grind op onze oprij weg naar de molen van mijn vader, en ik zou helemaal gewond zijn en pijn hebben en zo. Ik zag allerlei dingen gebeuren, maar er gebeurde helegaar niks. Ik stapte keurig af, parkeerde het fietsje keurig neer tegen een van de bomen, eiken waren dat, geloof ik en zat, even later, trots als een pauw, achter een groot en koel glas Ranja. Ik bedankte Roel, mijn veel oudere broer, maar die zei dat ik het zelf allemaal had gedaan.

Tja, toen kwam de tijd dat ik naar de ULO ging. Een totaal mislukt experiment, hoor. Ik was elf, vroege leerling, en moest allemaal vakken leren waar ik al helemaal niet aan toe was: algebra was chinees voor me, Frans was erger, met al die verbuigingen, Duits sprak ik goed, maar al effing naamvallen man? Engels? Toen en nu, een van mijn lievelingsstalen, dat is overigens met Duits en Frans ook goed gekomen, overigens. Meetkunde? Ging goed, maar vooral Aardrijkskunde en Geschiedenis hadden toen (en nu) mijn belangstelling en daar had ik goede cijfers in. 

(Ik verklap hierbij dat ik op een eerste rapport negen (van de tien) onvoldoendes had en slechts een voldoende: een negen voor godsdienst onderwijs. Hetgeen mijn ouders niet verblijdde, eufemistisch gezegd.)

Ik maakte de ULO toch af. En: geloof het of niet: ik had een goed examen rapport. Ik reed in die jaren elke dag op de fiets van Gasselternijveen naar Gieten, tien kilometer heen en idem terug. Zes dagen per week. Ook op de zaterdagen, met vreselijke vries kou naar school, we gingen toen op de zaterdagmorgen nog naar school. Ook in de strenge zomer van '63, toen er een Elfstedentocht was, fietsten we door sneeuw en vriesweer naar school. 

Stom dat ik nu het merk fiets niet meer weet van die jaren?


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Het nieuwe verraad

 In 1938 vloog Neville Chamberlain naar München, de hoofdstad van Beieren, in Zuid Duitsland, om onderhandelingen te voeren met de (tot nu t...