woensdag 15 augustus 2012

Over Jan




Dit wordt het begin van een serie trieste Blogs ben ik bang voor. Ze gaan over Jan. Jan, ik noem geen achternaam i.v.m. de privacy, kwam ongeveer veertig jaar geleden op mijn pad. Hij was toen, net als ik, een beginnende ziekenverpleger bij de Koninklijke Marine. Onze chef was in die tijd ene Adjudant Bart Vorstenbosch, die als bijnaam: de leeuw van Amsterdam had. Waarom dat was, daar kwamen Jan en ik gauw achter. Bart was toen, in onze ogen, een 'bejaarde', hoewel hij nauwelijks 48 jaar oud geweest moet zijn. Maar, da's de pest met de jeugd, alles wat niet in jouw lijntje ligt is al gauw: gek, oud of maf. Bart was een grote en grove man. Sterk als een beer ook. Ik herinner me dat hij, (hij woonde in Weesp en kwam op de brommer, een Zundapp of zo, geloof ik,) ooit eens een lekke band had. Hij rolde de bromfiets de wachtkamer binnen, maakte twee haken vast aan de balken van het plafond en tilde de brommer, boven zijn macht, op aan die haken! Man, wat was die kerel sterk. Een andere herinnering aan Bart die ik altijd zal hebben is deze. Het was, in het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw, toegestaan om je haar te laten groeien. In die tijd deed ik dat dan ook enthousiast en ik weet dat mijn haar iets over mijn oren hing. Bart, onderofficier van de oude stempel, had daar de pleuris aan gezien. Hij kon er echter niets tegen doen, het was immers zo beschikt door de Minister van Defensie! Hij had echter het volgende bedacht: in onze tijd werkten we nog met Ichthyol trekzalf: 'voor al Uw ontstekingen' Een zalf op basis van teer, die de huid week maakte zodat onderliggende pusophopingen door die huid door zouden dringen. Het spul bestaat geloof ik nog steeds. Meuren man, die troep!
Enfin, het was koffietijd en we dronken allemaal koffie in dezelfde ruimte, de 'medische administratie'. De arts, de onderofficieren en de korporaals en manschappen en vaak schoven de tandarts assistentes, onder wie een filmster achtig meisje, ook aan. Ik zat op mijn 'vaste stekkie' tegenover het bureau van korporaal Roy Doeve, helaas al jaren overleden, en luisterde, als jongmaatje, naar de sterke en mooie verhalen van de oudere marine verplegers.
Bart was even weggelopen, maar kwam vrij kort daarop terug en legde zijn hand op mijn hoofd. "Wat een leuk koppie haar, heb je toch!" gromde hij wat lachend. Ik voelde, heel voorzichtig, aan mijn haar en, GVD, ja hè! Bart had een hand vol teerzalf door mijn lokken 'gestreeld'. Je vloekte in die tijd nog niet tegen een onderofficier en je schold al helemaal niet, maar onder homerisch gelach nam ik de wijk naar de doucheruimte en bekeek de schade. Daar hielp geen lievemoederen meer aan! Ik kon wassen wat ik wilde, spoelen wat ik wou, maar de teerzalf bleef zitten en een behoorlijk onaangename geur verspreiden!
Het enige wat hielp was: naar de kapper, die me dan ook haarfijn, no pun, kortschoor.
In die sfeer groeiden Jan en ik op als ziekenverpleger.
Not nice, hoor ik niet marine kenners zeggen. Inderdaad, not nice, maar wel de harde leerschool van de werkelijkheid. Maar, Adjudant Vorstenbosch, Ome Bart, zoals wij hem noemden, was helemaal geen kwaaie vent, integendeel. Hij was, zoals ik al schreef, 'de leeuw van Amsterdam', en dat kwam omdat hij, zoals een leeuw voor haar jongen doet, voor zijn patiënten en zijn personeel op kwam.
Jan en ik hebben dat absoluut van hem geërfd. Ik weet nog dat Ome Bart elke morgen bij de ingang van de ziekenboeg stond. Groot, massief, in uniform. Een ieder die de ziekenboeg binnen kwam (ik wil haast zeggen durfde) te lopen, werd bars gevraagd: wat hij of zij kwam doen. En als Ome Bart dan maar ook even dacht dat je, onder het mom van medische zorg, je trachtte te onttrekken van werkzaamheden, werd je 'fiezelefots naar je moer gestuurd' zoals wij dat vroeger zeiden.
Ik kwam ooit eens op het nippertje de kazerne binnen, had de pont tegen gehad of wat dan ook. In die tijd moesten we nog 'in klokken' met behulp van een zogenaamde 'passagierskaart'. De (Indonesische) Bootsman die over die kaarten ging, vroeg me waarom ik te laat was. Ik was nog niet echt te laat, het was vier minuten voor acht, maar hij hield me zolang aan de lul, over allerlei dingen die hij ooit in Indonesie beleefd had, dat ik m'n kaart pas om 30 seconden over acht kreeg en dus te laat, waarop de Bootsman mij rapporteerde. Mijn eerste 'bakkie' zoals een vergrijp bij de marine heet. Bedrukt kwam ik de ziekenboeg binnen en vertelde Ome Bart mijn verhaal. Die greep de telefoon en schold de Bootsman in niet mis te verstane woorden uit! Einde bakkie.
Maar, zo als het gaat in het leven en zeker bij de marine, je komt in elkaars leven en verdwijnt er (tijdelijk) weer uit. Dat was ook voor mijn vriend en mij zo. We gingen elk ons weegs maar kwamen elkaar geregeld weer tegen. Dat was op vergaderingen, tijdens het varen als we met onze schepen toevallig in dezelfde haven lagen en dat soort dingen.
Aan het eind van de jaren negentig van de vorige eeuw, werkten Jan en ik allebei in de Van Braam Houckgeest  kazerne, de grote Marinierskazerne in Doorn. We zagen elkaar dagelijks, dronken soms in de avond een biertje als we allebei binnen sliepen en spraken veel over het vak en haalden herinneringen op. In die tijd had ik een periode dat ik het slecht had. Er was van alles aan de hand met een van de kinderen en mijn toenmalige commandant, een Jonkheer, en ik lagen elkaar ook niet zo. Als ik dan mijn ei kwijt moest, haalde ik twee mokken koffie uit het kombuisje, liep bij Jan zijn kantoor, een bezemhok ongeveer, binnen, we rookten en ik kon mijn verhaal kwijt.
Want: dat was Jan ten voeten uit. Sociaal. Een man met een enorm groot hart, en een geweldig empatisch vermogen. Opgelucht liep ik na zo'n gesprekje weer terug naar mijn eigen kantoortje.
Ik was niet de enige hoor, die bij Jan terecht kon. Ook andere personeelsleden, maar zeker allerlei patiënten met problemen, kwamen bij Jan terecht en kregen advies en vaak klom hij in de pen of pakte hij de telefoon om bepaalde problemen zo snel en zo goed mogelijk op te lossen. 
Jan had een heleboel krediet in de wereld die het Korps Mariniers heette en dat kwam omdat hij dus zo sociaal was.
Nadat we allebei de dienst uit waren, kwamen we elkaar geregeld tegen op reunies en dat was het kletsen en lachen. Later mailden we elkaar en wisselden 010 versus 020 grappen uit. Ajax tegen die club waarvan ik de naam niet durf neer te schrijven. Maar altijd was het leuk en amusant. Jan ging samen met zijn echtgenote naar Balie, voor een welverdiende vakantie. Ik kreeg een mailtje van hem, kort daarna. "Ik heb Ca in een vergevorderd stadium", schreef hij. "Het is al uitgezaaid en al en ik heb de nodige chemokuren ondergaan."

Stilte aan mijn kant, doodse stilte. Niet Jan, toch! Gvd! Nee, niet Jan.
Typerend voor mijn vriend was dat hij een foto bijsloot, van een Amerikaans nummerbord:
'KUT 020'. Hij verontschuldigde zich, gniffelend, dat ik het misschien wel niet leuk zou vinden...














Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Het nieuwe verraad

 In 1938 vloog Neville Chamberlain naar München, de hoofdstad van Beieren, in Zuid Duitsland, om onderhandelingen te voeren met de (tot nu t...