woensdag 29 augustus 2012

Over Jan 3

Zoals al eerder heb geschreven, heb ik Jan jaren geleden ontmoet en hebben we een hele goede band opgebouwd in al die jaren. Ik geloof al dat ik eens uitgelegd heb hoe Marine vriendschappen in elkaar zitten. Bij nader inzien, ik lees m'n Blogs ff na, toch niet. Voor hen die het interessant vinden, ga ik dan straks toch maar even op dat pad terugkomen. Ten eerste: het gaat redelijk met Jan. Ik (en ik ben niet de enige, natuurlijk) bel hem regelmatig en we babbelen over van alles. De ziekte natuurlijk, da's logisch en, toen ik hem vandaag aan de lijn had, kwam ik weer onder de indruk van de nuchtere manier waarop mijn maatje over zijn ziekte sprak. Ik zei hem dat dus ook, zoals je dat aan een gabbertje kunt zeggen. Hij lachte dat bekende lachje van hem en zei me dat hij ook helemaal geen zijn had om 'de ziel' uit te gaan hangen. "Sommige mensen", zei Jan, "zeggen dat ik heel cynisch ben, onder m'n ziekte, zie jij dat ook zo?" Ik zei dat ik het niet zozeer cynisch vond en herhaalde dat ik hem zo nuchter over vond komen. We hadden het verder nog even over zijn chemokuur en de verwachtingen en dat hij de laatste onderzoeksresultaten hopelijk voor het weekend kon verwachten. Ik plaatste nog een flauwe 010 mop, maar Jan troefde me af met een mop over Mokummers en ik verslikte me in mijn koffie en moest door E. op m'n rug geklopt worden om bij te komen. Toen neus en wangen weer schoon en opgedroogd waren maakten we tussen neus en lippen (pun intended) een afspraak voor 'ergens in september'. Maar goed, even over die Marine maten. (Om steeds de woorden 'marineman, -vrouw' te gebruiken wordt te politiek correct) dus ik zal het over maten gaan hebben. De term 'maten' is een woord/term, die we, marinemensen, onszelf hebben gegeven. Het komt van Janmaat, inderdaad. Zoals ik in een van mijn boeken al eens schreef, je hoeft geen vrienden te zijn als je bij de marine dient, maar maten moet je zeker zijn. Voor ons drieën gold dat helemaal. Zeker voor Teun, die op zo'n rioolpijp (zoals wij van de eigenlijke vloot de onderzeedienst noemden) diende. Troost je, ik kan je verklappen dat die onderzeedienst 'harry's' onze mooie grijze en trotse bovenwaterschepen: 'apenkano's noemden. (Die submarine mannen sliepen trouwens wel met z'n tweeën in een bed. Nee, geen Gordon of Gerard Joling dingen,(hoewel?) maar ze werkten zes uur op en zes uur af. Als de ene op post ging, kroop de tweede in dat nog warme bedje en omgekeerd. Bij Jan en mij was dat minder heftig. Ik ging, na mijn opleiding(en), naar de vloot en kwam op de 'jagers' terecht. Mooie, grote schepen, die heel snel voeren en een hoop bewapening bezaten. Jan deed het even kalmer aan en werd op de Mijnendienst geplaatst. Hij werd duikziekenverpleger (en later squadronverpleger) en had de tijd van zijn leven aan boord van de 'klompen' of de 'Mickey Mouse' schepen, zoals wij, van de 'apenkano's dan zijn soort vaartuigen weer betitelden. Maar, we lagen een enkele keer wel eens in dezelfde havens, zochten elkaar dan op en dronken een biertje (of twee). Jan vond dan ons korporaalverblijf, van acht bij drie meter, waar we met veertig korporaals in moesten recreëren, niet veel, maar ik vond zijn ziekenboeg, een kast van twee bij een halve meter weer niet veel en zo bleven we vrienden en bleven we lachen. Later zag Jan het licht en diende met heel veel plezier en heel veel jaren bij het Korps Mariniers. Hij ging daar veel mee op oefening naar allerlei buitenlanden en deed het goed, was graag gezien en hield van het Korps. (Ik zelf heb ook nog een goede twee jaren bij het Korps doorgebracht en ik moet zeggen: perfecte jaren! Dus ik begreep Jan wel heel erg goed.) De oudste herinnering aan Jan die ik echt heel helder heb is die van een patiënt wiens oren uit gespoten moesten worden. Nu was die patiënt een hoge officier, een overste en die had geëist dat de chef ziekenboeg, dat was Bart Vorstenbosch, ik schreef al over hem, dat moest doen. Nu was 'Ome Bart', zoals de bemanning van de ziekenboeg hem waarderend noemde, van alles, maar geen slijmbal en hij wilde de overste gewoon terug verwijzen naar een van ons, tot hij een lumineus idee kreeg. Hij zette de overste op een kruk en haalde de spullen die nodig waren voor de handeling te voorschijn. Hij liet water van lichaamtemperatuur in een bak vloeien, legde een handdoek over 's mans schouder en vroeg de officier om het nierbekkentje vast te houden onder het uit te spuiten oor. "Maar",zei Ome Bart tegen de overste, "nu moet U wel Uw andere oor even dicht drukken met een vinger, natuurlijk, U weet wel waarom, hè?" De overste dacht even na en zei: "Oh ja, anders komt het water er hier uit, zeker?" Jan, die net een bakkie had gehaald in het kombuis, liet zijn: "Mok, porselein met oor, wit, verstrekking KM, stuks 1", zoals een koffiebeker officieel te boek stond, ter plekke vallen en schoot in een afgrijselijke lachkramp! Ik moest met spoed het toilet opzoeken omdat ik me anders had bez.. nou ja, je begrijpt me. Terwijl Ome Bart het 'oorspoelwater' bekeek in het nierbekken, zei hij tussen neus en lippen weg: "Ach, die jonge ziekenverpleger tjes kunnen bijna niet tegen het zien van zoveel bloed, overste!" De overste trok wit weg en raakte lichtelijk in paniek!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Het nieuwe verraad

 In 1938 vloog Neville Chamberlain naar München, de hoofdstad van Beieren, in Zuid Duitsland, om onderhandelingen te voeren met de (tot nu t...