Ik had het dus in het vorige Blog over hoe voorzichtig je met de uitslagen van enquêtes moet zijn. Je kunt alle uitslagen interpreteren zoals jij dat wilt. Ik moet even m'n laatste zin van dat vorige Blog verduidelijken. Als men mij gisteren gevraagd had welk voertuig ik als laatste gebruikt had om naar het werk te gaan en mijn antwoord was dan, naar alle eerlijkheid 'de auto' geweest, dan had ik dus alleeen maar punten gescoord voor de auto. Als de vraag had geluid: Welk voertuig gebruikt U het meest voor het woon/werkverkeer had ik natuurlijk fiets geantwoord. In het eerste geval scoort de autolobby, in geval twee: de fietslobby. Ik bedoel maar, hoe stel je de vragen en hoe stel je de antwoorden samen?
Maar hoe dan ook, ik ga, net als vroeger, nog steeds op de fiets naar school. Nee, ik ga zelf niet meer naar school, hoor. Hoewel, zei hij filosofisch, het leven elke dag een leerschool is. (En dat is waar, maar dat zal ik ooit nog wel eens vertellen, of niet.)
Nee, lul nou niet man, hoezo op de fiets naar school? Ik moet even terug in de geschiedenis. (Goh man, vermoeiend, daar heb je hem weer, met zijn geschiedens.) Ja, maar ik doe het toch. Zoals de man in het vorige Blog altijd zei: 'Vwoeger was alles bete!', is dat natuurlijk klinkklare nonsens. Het leven schrijdt voort en alle dingen herhalen zich. Maar dat is ook weer filosofisch ge o.h. Maar, vroeger woonde ik in een dorpje in de Drentse veenkoloniën. Dat dorpje had zelfs enige nationale roem, want het behoorde, een eeuw geleden nu, tot de grootste havenplaatsen van ons land. Niet qua tonnage van schepen, maar zeker voor wat betreft het aantal geregistreerde schepen en dat, terwijl het dorpje zeker dertig kilometer landinwaarts lag! De bevolking van het dorp bestond dan ook uit, behoudens een enkele molenaar of winkelier, voornamelijk uit varensgezellen, zoals dat zo fraai genoemd werd en, natuurlijk, veenarbeiders. Tot de eerste wereldoorlog was het dorp vooruitstrevend, want zeelui zijn dat, omdat ze overal komen en veel dingen meenemen uit andere culturen. Na de 'Grote' oorlog sloeg de gezapigheid toe. Het dorp sliep in en werd vergeten. Nee, niet zoals Sleepy Hollow, of zo, maar de grotere plaatsen in de buurt namen haar plek in en over.
Toen ik een jaar of tien was, was het meest spannende wat mijn vrienden ik op een zondag deden op een kruispunt van wegen zitten en daar de nummerborden van passerende auto's en hun merken in een schriftje te noteren. Als je op zo een zondag tien autonummers had, dan was het een mooie dag geweest.
Doordat het dorpje in zich zelf keerde en haar vooraanstaande plaats in de regio verloor, werd het moeilijk om verdere scholing te krijgen. Oh ja, we hadden zes lagere scholen of zo, voor elke kerkgemeente was er een. Dat was nu eenmaal zo in die jaren. Je had de Gereformeerde school, de Hervormde school, de Baptisten school, een Vrijgemaakte school, nu ja, noem maar op, het was er allemaal. Maar, voor middelbaar onderwijs, moesten we verderop. Er waren twee dorpen in de omgeving waar dat middelbaar onderwijs gegeven werd. Het ene dorp lag ten oosten van het onze en net over de grens met de provincie Groningen. Ook in de veenkoloniën hoor, maar wel in Groningen. De scholen daar gaven VGLO/ULO/MULO onderwijs en voor de rijkere mensen in o.a. ons dorp, hadden ze zelfs een HBS. (en zelfs een MMS, geloof ik.) Die school lag acht kilometer ten oosten van mijn dorp.
De andere, verdere, scholing zou ook plaats kunnen vinden in een dorpje dat acht kilometer ten noordwesten van het onze lag. Die school gaf alleen maar MULO onderwijs. Maar, hoewel het dialect in ons dorp een haast Gronings dialect was, was het dorp toch meer georiënteerd op de Drentse hoogvlakte. De keuze van de meeste ouders ging dan ook uit naar de verdere scholing van hun kroost in het Drentse dorp.
Tot ons twaalfde jaar, nu ja, tot het einde van klas zes van de lagere school, waren we allemaal vriendjes en vriendinnetjes, hoewel, met meiden ging je natuurlijk niet om, maar goed wij waren kameraden. Dan, in de zesde klas, maakten pa en ma de keuze. Naar het westen of naar het oosten. Ik was een vroege en nog speelse leerling en ik was nog maar elf toen de keuze door m'n ouders werd gemaakt. Jij gaat naar G. (het dorpje in het westen). M'n vriendjes, Jan en Anne en een vriendinnetje, Marlies, gingen echter naar S. het plaatsje in het oosten.Jan en Anne en ik waren. bloedbroeders geweest. We hadden van die Karl May boeken gelezen over Winnetou en Old Shatterhand en op een gegeven moment, ja, tien-elfjarigen, hadden we alle drie een sneetje in de vingert gemaakt en ons bloed opgedronken! Maf, hé?
Zoals dat ging, of misschien nog steeds gaat, in kleine gemeenschappen, was die keuze meteen het einde van de vriendschappen. Pas op hé, het is in de jaren vijftig, begin van de jaren zestig en de verzuiling was op haar hevigst. Ik heb Jan en Anne nooit meer ontmoet, nu ja, op straat groeten we elkaar met een slap handje, en ook Marlies, de dochter van de dorpsdokter, heb ik nooit meer gezien, zij ging naar de MMS. Tot mijn negentiende jaar, in ieder geval. Ik was marineman en moest nog steeds verplicht in mijn fraaie uniform reizen. Ik nam de bus vanuit mijn dorp naar de hoofdstad van de provincie om daar de trein te nemen naar de plaats waar ik gelegerd was. Opeens zag ik mijn twee maten terug. Ze herkenden me niet. Of wilden dat niet. Ze hadden beiden lang haar, droegen het uniform van die tijd, shabby manchester broeken met idem shabby safari-jasjes. Ik keek naar hen, ze keken door me heen en ik pakte een boek uit mijn tas. maar las niet.
Het fraaie landschap tussen G. en Assen zag ik nauwelijks, in gedachten over de 'temps perdu'.
In elk geval, morgen ga ik verder over fietsen naar school. Dat deed ik toen en dat doe ik dus nu weer!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten