Zoals al gezegd, de Hallembaye van de Noordzijde, stelde of niet veel voor, of ik voelde me goed, dat kan natuurlijk ook. In de Voerstreek gingen we 'De Plank' op, een klimmetje bij het dorpje De Plank, merkwaardig genoeg. De mannen reden weer weg, ik zat goed in mijn vel en ik deed mijn ding. Ik had zicht op de fraaie wereld om me heen. Die was fraai, want deze kant van de klim, de oostkant, ligt veel minder onder de bomen dan de andere kant. Dus veel meer uitzicht. Ik zag weiden die geel gekleurd werden door paardenbloemen op de helling liggen. En ik steeg gelijkmatig, rustig, alles onder controle. Ja, ik werd natuurlijk door de halve wereld voorbij gereden, 'but, who cares?' Het weer was ook nog eens fenomenaal. Zon, een hele hoop zon, wat wind en een temperatuur van rond de negentien graden. De maten waren overigens vertrokken in 'lange bovenkleding' als jullie het vatten en hadden daar later wel spijt van, natuurlijk. Zelf rijd ik al een week of wat 'in het kort', zoals dat heet. Na 'De Plank' en de snelle afzink vanaf Epen, (ik klokte op een gegeven moment 70 per uur) kwam de Camenig. Die klim is volgens Jan Janssen, de Nederlandse Eddy Merckx zo ongeveer, de 'enige' mannelijke klim in ons land. En, en beetje gelijk heeft hij wel. Het was, ooit, mijn "zwarte beest", zoals de Vlaming zegt, maar nu, geloof me of niet, maar nu, deed ik haar met 'plezier'. Nee, ik f... je niet, ik had lol in die klim. Nee, natuurlijk deed het zeer, dacht ik. Maar, deed het wel echt zeer? Voelde ik echt wel pijn? Pijn zoals ik die het vorige jaar en het jaar daarvoor had gevoeld?
Nee, ik kon niet zeggen dat ik leed!
Ik kende het klimmetje (ja, een klimmetje, that's it,) ondertussen wel. Ik kwam boven, daar stond de groep en ik vroeg, ik reed door, keek hen aan en vroeg of ze nu al moe waren. Gegrinnik (en wat hoon) was mijn deel en een paar seconden later reed ik weer helemaal alleen in de achterhoede toen we het Holsetterbos opreden.
De koffiestop was gepland voor bij het Drielandenpunt. We reden Vaals binnen en moeten naar dat Drielandenpunt en dat is en blijft een pittig ding. Toen ik bovenkwam hadden de mannen al een tafel uitgezocht op het fraaie terras met gratis uitzicht op Duitsland, (Aken) en België. Koffie, cola en een strootje, op een terras, kop in de zon, goede vrienden om je heen, een goed gevoel in je benen. Wat kan het leven aangenaam zijn, toch?
Wat minder aangenaam was, was de aanwezigheid van 75 Harley Davidson motoren, met berijders. De berijders, al dan niet passief, waren ok. Mensen met pakken aan, met veel leer en uitmonsteringen en met een hele aparte stijl van haardracht, maar dat is ok. Dat hebben wij, fietsers en zij, korfballers en hullie, hockey meisjes en gullie, biljarters ook. Dat respecteer ik, je leeft en doet je ding en je kleed je zoals je wilt. Maar waarom, waarom ga je met die motoren met 85 decibel en meer de plekken waar nog enige rust heerst verstoren? Waarom? Ja, het is de openbare weg, natuurlijk is dat zo. Niemand kan je, of wil je, verbieden hier te komen. Maar moet het dan ook echt? Ik bedoel, je rijdt op een geweldige machine, een fraaie tweewieler die misschien wel 250 Km/hr kan doen. Waarom zoek je dan niet diverse race circuits uit, of de snelwegen in Duitsland om je hobby uit te leven? Waarom moet je dan de rustige en stille heuvels van Limburg (of de dijklandschappen of de polderwegen) kiezen om de rust te verstoren met je knetterende Db's? Begrijp je dan niet voor hoeveel mensen je hun enige dag van stilte en rust in de natuur verstoort? Mensen die een hele dag werken in fabrieken of kantoren of werkplaatsen waar het altijd al rumoerig is? Of werk je zelf niet dan of zo?
Op het terras vroegen Bas en Paul zich dan ook af wat voor mensen dat nu waren, die, allemaal onder dat leer en die kettingen gehuld, hier waren neergestreken als een kudde dieren en nu, net als die kudde, zich zat te laven aan een bron? Ik antwoorde dat het waarschijnlijk, net als wij, artsen, fysiotherapeuten, fietsenmakers of winkelmedewerkers waren.
We gingen door. We pakten alle klimmetjes verder mee. Ik kwam boven op de Kruisberg, een kreng, maar ik kwam goed boven. De Eyserbosweg? Ik kon grappen maken met mensen die in de berm zaten te rusten. Ik was goed en voelde me senang. We misten ('helaas') de Keutenberg, maar compenseerden dat door de Sibbegrubbe te rijden. Ik had een gesprek met een man, die gelijk met mij opreed. De Cauberg was het laatste obstakel en ik dacht terug aan een jaar geleden, toen ik de AGR deed en mijn naam werd omgeroepen. In een vreselijke en plotse hagelbui reed ik daar. En ik leed en had het zwaar en nu, nu ik had fun. God, zou klimmen ooit mijn ding worden?
In Berg en Terblijt kreeg ik 'likes' van de mannen.
Frits trakteerde op het (voor ons) traditionele en heerlijke gerecht: Friet met Soervleis, het was heerlijk.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten