dinsdag 28 mei 2013

Met vallen en (soms niet) met opstaan


Het is het lot van elke fietser. Het is inherent aan de sport en aan het soort fragiele vervoermiddel dat die fietser gebruikt bij zijn/haar, maar nu ga ik weer zo politiek correct worden dat ik alleen maar de M vorm ga gebruiken. (Ik krijg al veel kritiek dat mijn Blogs te lang worden, dus vandaar, begrijp je?)
Dat lot is: vallen. Je kunt niet fietsen zonder dat mee te maken. Of je nu een gewone 'woon/werk' fietser op een zogenaamde 'gasbuizenfiets' bent, of dat je nu met een fiets met een 'krom stuur' rijdt, je valt altijd wel eens. Gelukkig is het over het algemeen 'zonder erg' zoals de Vlaming zegt, maar als het dan fout gaat, dan gaat het vaak goed fout. Ik val zelf ongeveer een keer per jaar. Nee, dat doe ik niet voor de statistiek, of omdat het prettig is, maar het gebeurd. Ook in mijn 'geval' val ik over het algemeen zonder erg, hoewel ik wel eens met een, vanaf de knie tot de enkel verbonden been, heb moeten werken en fietsen. Over het algemeen valt, bij ons toerfietsers, de schade nog al mee en is het meer een kwestie van 'gebroken of gevallen trots'. Valpartijen, of 'Chute' of 'Tuimelperte', zoals men dat noemt in het peloton, gebeuren bijna altijd als je in en met een groep(je) rijdt. Over het algemeen is de oorzaak dan dat je met je voorwiel het achterwiel van de man voor je aantikt, zodoende de controle over je stuur verliest en met een (op afstand) lachwekkende zwenk over de breedte van de weg, probeert je fiets onder controle te krijgen. Soms beland je met je genitaliën op de stang en dat draagt ook niet bij tot je prettige herinneringen van die dag. Soms zijn valpartijen ook heel lullig. Ik herinner me nog dat ik eens een bochtje verkeerd in stuurde. Ik reed nog net geen twintig per uur of zo. Er lag wat los zand en, tjoep, daar ging mijn voorwiel. Schurend door het losse zand raakte ik het behang van mijn been kwijt en reed en werkte ik een dikke twee weken in allerlei gazen en netkousen ingewikkeld, en dat was behoorlijk ingewikkeld.
Maar goed, het hoort bij de sport die je doet en je moet daar niet over klagen, natuurlijk. Kijk, iemand die tennist zal alle risico's uit de weg gaan. Op het moment dat er een druppel regen valt, stopt de wedstrijd, want die duurbetaalde benen zouden een uit kunnen glijden, ach en o wee. Voetballers laten zich met liefde vallen en vragen dan meteen om een rode of gele kaart voor een ander voetballer of zo. Maar in het fietsen is risico nemen een onderdeel van je vak en het vallen hoort daar ook bij. Dat klinkt heel cynisch, maar het is natuurlijk wel zo.
Soms, maar dat soms is natuurlijk veel te vaak, is zo'n val met een afgrijselijke afloop. Wie herinnerd zich die vreselijke val van Fabio Casartelli niet? De jonge coureur (25 nog maar) ging hard onderuit tijdens de afdaling de Portet d' Aspet, en overleed, voor het oog van de Tv camera's. Ik keek, ik zag de jonge coureur in embryo stand liggen en wist, bijna zeker, dat het over was. Een nog vrij onbekende en jonge Lance Armstrong reed ook in dat Motorola Team. Enige dagen later won hij een etappe en droeg, ik zal het nooit vergeten, met twee vingers naar de hemel wijzend, zijn zege op aan zijn ploegmaat. De patholoog anatoom merkte op dat, indien Fabio een helm had gedragen, zijn letsel stukken minder waren geweest en niet tot de dood hadden geleid.
De dood van Andrej Kivilev, tijdens Parijs Nice, in 2003, deed de UCI besluiten om de helm verplicht in te voeren. 2003, da's nog maar net geleden. Wouter Weijland, ook al zo tragisch, overleed
op 9 mei 2011 doordat hij met zijn pedaal achter een muurtje bleef hangen. Hij droeg wel een helm, overigens, maar dat mocht niet baten. Zijn val deed me onmiddellijk denken aan die van Fabio, met name de manier waarop ook hij in die embryonale houding lag. Ook hij was ter plekke overleden. Een mooi gebaar van de leiding van de Giro is, dat er nooit meer het rugnummer 108 zal worden verleend aan een coureur. Het rugnummer waarmee Wouter reed.
Maar er zijn natuurlijk veel meer sensationele vallen geweest in het peloton. De val van Wim van Est: 'zestig meter viel ik diep, mijn hart stond stil, maar mijn Pontiac liep.' is wel bekend. Ook de tragische dood van Tommy Simpson op 'de flanken van de Mont Ventoux', berg die voor mij voor 2014 op het programma staat, is welbekend. Maar ook Pedro Horrillo, de aardige en sympathieke filosoof, die voor de RABOBANK ploeg uitkwam, viel in een ravijn. Het verhaal gaat dat een coureur de RABOBANK wagen voorbij reed en vroeg of ze wisten dat ze een fiets hadden verloren, want die had hij tegen een vangrail zien staan. Men keerde terug, zag de fiets, met kaderplaatje, van Pedro en liet hulptroepen aan rukken. Die vond de coureur op een plateau, tachtig meter lager en met behulp van Alpenjagers en een helikopter, werd de coureur naar boven geholpen. Hij stopte met fietsen. Ik denk zelf dat zijn meisje en misschien zijn kinderen daar ook wel voor hebben gepleit!

Ik vergeet nu natuurlijk tientallen valpartijen en ongevallen, dat weet ik wel. Maar af en toe zijn er ook hele aparte en bizarre valpartijen. Zoiets zag ik vorige week in  de hele fraaie Ronde van België.
Ons aller 'vriend' Thomas Voeckler, die kleine en driftige coureur die bij EUROPCAR rijdt viel wel op een hele gekke manier. Voeckler is al een legende voordat hij bekend werd. Hij is geboren in de Elzas, zijn pa is spoorloos verdwenen tijdens een zeiltocht over de oceaan en hij werd als jong coureur al de lieveling van het Franse publiek. In 2004 droeg hij tien dagen lang het geel en ook in de Tour van '11, deed hij dat. Bekkentrekker, camera bespeler, aansteller, van alles kan je over hem zeggen, maar ik mag hem wel. Hij is een aanvallende renner en altijd wel in beeld.
Maar dit jaar gebeurde er iets, wat ik nog nooit had gezien. Hij reed over een niet eens zo moeilijke kasseienstrook en zijn bidon schoot vanuit de houder op zijn frame, in zijn achterwiel, tussen spaken en frame. Dat achterwiel blokkeerde en hij viel sensationeel hard op de stenen.
Voeckler zou Voeckler niet zijn als hij aan die achterstand, hij kwam achttien minuten na het voortjagende pas binnen, ten gelde maakte. Hij was nu de 'slemiel' van het peloton, de camera's waren vaak op de bekken trekkende coureur gericht en hij genoot zichtbaar.
Maar, in de slotrit was hij weer van de partij. Aanvallend, zoals altijd. Van zijn ingewikkelde benen was niet te merken.
Een tennisser was waarschijnlijk een jaar de ziekte wet in gesukkeld, met behoud van salaris. Een voetballer had waarschijnlijk om een rode kaart voor het wegdek en de bidon gevraagd.
In deze tijd van 'match fixing' had de scheids die, denk ik, ook gegeven.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Het nieuwe verraad

 In 1938 vloog Neville Chamberlain naar München, de hoofdstad van Beieren, in Zuid Duitsland, om onderhandelingen te voeren met de (tot nu t...